Voor het eerst op je nieuwe fiets. Helemaal van school naar huis en terug, op de grote weg. Je kan niet wachten.
De sleutel van je nieuwe slot hangt aan een veter om je nek. Je voelt er steeds aan.
Pappa neemt jou en je fiets mee in de auto, en als ik je dan kom halen, gaan we samen naar huis om te lunchen, op de fiets, jij naast mij, en je broertje in jouw stoeltje, achterop.
Halverwege de ochtend, ik zie dat het steeds donkerder wordt buiten.
Ik bekijk de buienradar. Grote, wit, zwart, geanimeerde wolken bedekken binnen enkele ogenblikken onze woonomgeving en zal de komende uren bedolven blijven onder noodweer. Een waarschuwing, voor gevaarlijke windstoten.
We halen je op, met de wind in onze ruggen. Ik weet dat de reis naar huis zwaar voor ons gaat worden. Instinctief en vanuit liefde maak ik me sterk. Motiveer je, zeg dat het ons samen gaat lukken. Je knikt.
Met gebogen ruggen en gespannen benen vechten we tegen de wind en de regen, die samen lijken te spelen, lol hebben in de herfst, zo fantaseren we samen.
Je lacht maar het is zwaar. Ik zie het aan je.
Je kleine broertje bij mij achterop, jou aanmoedigend. Dat je het goed doet, dat het zo knap van je is. Mijn tranen vermengen zich met de regen, ze maken mijn gezicht wat warmer.
Ik kijk om me heen, andere mensen die op hun eigen manier omgaan met de extreme weersomstandigheden. Twee meisjes, een jaar of veertien. De regen maakt strepen op hun gezicht en vlekken op hun jassen. Ze zijn zich niet bewust van hun maskers die langzaam aan het verdwijnen zijn.
Anderen worstelend met paraplu’s, niet lijken te willen accepteren dat deze niet bestand is tegen dit weertype. Een vermakelijk gezicht is het, al die pogingen de paraplu’s in bedwang te krijgen, om vervolgens een paar meter nonchalant te kunnen lopen en daarna weer in herhaling te vallen. De skeletten blijven uiteindelijk achter in prullenbakken of langs de kant van de weg.
Gelukkig ben ik op zulke momenten, in het bijzijn van mijn kinderen in ieder geval, in staat me over te geven, en doe ik zelfs mijn benen niet meer wijd wanneer ik door een diepe plas fiets.
Mijn rechterhand pakt jouw jas vast, zodat ik je vooruit kan duwen, maar ook dicht bij me kan houden wanneer de wind de neiging heeft jou het water in te trekken. Ik zie je onderlip trillen, ik kijk in je ogen. Je slikt je tranen weg, wat ben je sterk. Dezelfde jongen die zo verschrikkelijk verdrietig kan zijn wanneer die ene ridderhelm niet op de pruik van dat Playmobil poppetje past, is nu zo hard voor zichzelf.
Je weet dat je nog even moet doorzetten en je wilt laten zien dat je het kan. Ik zeg dat ik trots op je ben. Je gezicht ontspant zich weer wat.
Nog twee barre tochten maken we die dag. De meelevende en bewonderende blikken van de mensen die we passeren slepen ons door de laatste meters heen.
Aan het eind van de middag, wanneer we doorregent en koud thuiskomen en weten dat we niet meer naar buiten hoeven, voelen we ons we rustig, ontspannen en sterk.
Terwijl mijn kleine mannen in een warm bad zitten, maak ik vuur in de open haard. Ik denk terug aan de dag, en alles wat het ons gegeven heeft.
Ik kleed me uit, mijn derde broek van die dag op de grond, kleingeld valt eruit. Ik raap de munten op en doe ze in een glazen pot die nu half vol zit, een klein stapje dichterbij het bezitten van mijn eigen autootje.
Ik weet dat ik me deze dag altijd zal blijven herinneren, ook wanneer ik ooit droog en warm door regen en wind rijd, me misschien irriterend aan andere automobilisten. Maar tot die tijd, tot die tijd zullen we strijden op onze fietsen, we kunnen we het aan, wij samen.
X